BRAND EN BRANDBESTRIJDING IN DE RIJP
Tekst : Gerard Koppers
Brandbestrijding in de 17e eeuw.
Hoe moeten we ons branden en hun bestrijding voorstellen in die jaren? De huizen waren over het algemeen van hout en riet, klein en tegen elkaar aangebouwd. Hout en riet boden het voordeel dat het niet zwaar was, zodat funderingen over het algemeen niet nodig waren. De grootte van een huis met een gezin was niet zoals in deze tijd, waarin ieder zijn kamertje heeft. Op de schilderijen en prenten van De Rijp uit die jaren is duidelijk te zien hoe groot de kerk en het raadhuis zijn in vergelijking met de andere bebouwing. Kerk en raadhuis waren niet zo groot, maar de huizen waren zo klein.
Het liefst werden de huizen, vooral in de 'armere' wijken zo dicht mogelijk tegen elkaar aangebouwd, want grond was toen ook al duur, en bovendien verwarmde men elkaar daarmee een beetje.
Die verwarming in die jaren was natuurlijk ook heel primitief. Als men al een stoof of oventje had, werden de hete gassen door een ijzeren pijp dwars door het rieten dak afgevoerd. Tegenwoordig goed voor een stevige bekeuring.
Ook de pakhuizen waren niet te vergelijken met de hedendaagse exemplaren. Meestal waren het eigenlijk gewoon grote houten loodsen, eveneens meestal met hout of riet afgedekt.
Waterleiding was er niet en de bestrating ontbrak veelal.
De grootste gevaren die een stedelijke samenleving met zo'n bebouwing dan ook bedreigden, waren oorlog, watersnood en brand. Bij oorlog kon men nog veel onheil voorkomen door bijtijds de juiste zijde te kiezen. De meeste watersnood was voorzienbaar en kon door slim pompen en malen beperkt worden. Brand was echter onvoorspelbaar en kon heel snel veel onheil aanrichten. Al in de veertiende eeuw zijn er voorschriften in Nederland bekend, waarin het bouwen van huizen met hout en riet wordt verboden of op zijn minst ontmoedigd. Voor de gevaarlijke neringen als bakkers en smeden werden speciale voorschriften gegeven, en bijna nergens was het toegestaan om binnen een bepaalde afstand van de huizen 'dove kolen' of as te bewaren.
Ook in De Rijp waren er dergelijke voorschriften. Met de handhaving van die regels werd in die tijd, dat iedereen iedereen kende, nogal eens de hand gelicht.
Toch was men kennelijk zeer voorzichtig en was iedereen zich zeer goed bewust van de gevaren. Branden, ontstaan door onachtzaamheid zijn in die jaren zeldzaam. Het ontbreken van verzekeringen en vooral het gebruik dat degene in wiens huis een brand uitbrak financiëel opdraaide voor de kosten van de blussing en de schade aan anderen zullen daarbij een belangrijke rol gespeeld hebben.
En als er dan toch brand uitbrak, hoe kon die dan geblust worden? Als we terug gaan naar bijvoorbeeld 1654, zijn handbrandspuiten als in de Waag nog erg futuristisch.
Er waren eigenlijk maar twee manieren om een brand tot staan te brengen. Veel water in het vuur gooien en voorkomen dat andere huizen in brand vliegen. Dat laatste kon maar op twee manieren. Of ze werden bedekt met grote zeilen, die constant nat gehouden werden - maar daar was ook veel water voor nodig - of ze werden gewoon afgebroken of omgehaald. De schade kwam toch voor rekening van de ongelukkige in wiens huis de brand begon.
Omdat brandspuiten - zoals gezegd - in die tijd nog toekomstmuziek waren, moest het water door mensen aangevoerd worden. Dat gebeurde dan speciale lederen brandemmers. Fraaie exemplaren daarvan bevinden zich nog in het Rijper museum en in de Waag. Bij brand werd dan twee lange kettingen van mensen gevormd, waarvan de ene de volle emmers steeds doorgaf vanaf het water naar de brand, en de andere de lege van de brand naar het water. Als de brand ver van de sloot was waren er dan ook grote hoeveelheden mensen en emmers nodig. Daarom was het ook verplicht om in ieder huis een brandemmer te houden, hetgeen jaarlijks gecontroleerd werd. Zo'n brandemmer was van leer, zodat ze licht waren en een klein beetje lekten. Dat was opzettelijk zo gedaan. Het materiaal was goedkoop, en door het lekken waren ze niet geschikt voor huishoudelijk gebruik, zodat ze exclusief voor de brandblussing gebruikt werden. Dat lichte gewicht was bij een gang door een lange keten mensen een vanzelfsprekend voordeel. Wie zo'n brandemmer desondanks niet kon betalen kreeg er veelal eentje uitgereikt door het stadsbestuur. Omdat iedereen aansprakelijk was voor zijn eigen emmer was het na een brand altijd een heel gezoek om je eigen emmertje terug te vinden. Het was dan ook verstandig ze te voorzien van je initialen of andere kenmerken. Bovendien werden in de openbare gebouwen ook nog eens grote voorraden brandemmers gehouden, allemaal voorzien van een kenmerk.
Bij brand werd ook over het algemeen het hele dorp gemobiliseerd door ratelwachten of brandklokken in de kerk. Omdat iedere gemeenschap zijn eigen legertje of schutterij had, eveneens bestaande uit alle weerbare mannen, waren er over het algemeen al gezagsverhoudingen en groepen. De schout had de leiding en maakte zoveel mogelijk gebruik van bestaande groepen, zoals binnen een schutterij of van bepaalde gilden. Als de brand op een verdieping was, werden er nog speciale brandladders ingezet, en daarvoor werden veelal timmerlieden en dakdekkers gebruikt. Voor het stuiten van de grotere branden werden speciale zeilen en brandhaken ingezet om bedreigde huizen nat te houden of eenvoudigweg om te trekken.
Op de schilderijen en prenten van de brand in De Rijp in 1654 is hier en daar nog te zien dat er pogingen werden ondernomen om zo'n menselijke keten te vormen en emmertjes door te geven. Maar zo'n grote organisatie staat of valt met de discipline. Zodra de helpers in de gaten krijgen dat hun eigen have en goed bedreigd worden, laten ze de brand in de steek en is het 'ieder voor zich en God voor ons allen'.
De brand van 1654.
Gaan we nu terug naar die stormachtige januari-avond in 1654 dan proberen we ons voor te stellen, hoe het gegaan moet zijn. De storm komt uit het west-zuidwesten en is bijna van orkaankracht. Alle houten huisjes en molens piepen en kraken onder het geweld. Lantaarns - toch al schaars - worden uitgeblazen en het is pikkedonker. In één van de vele molens die het welvarende dorp rijk is, een zogenaamde hennepklopper ten zuidwesten van de bebouwde kom, lopen de wieken door de vang. De molenaar had zijn molen uitgerust met uitklapbare borden langs de wieken, waardoor het spannen en afhalen van de zeilen overbodig was. Die borden werden hem echter deze keer noodlottig, want ze vingen de wind, klapten uit en maakten de wieken aan het draaien in een duizelingwekkend tempo. Hoe de wanhopige molenaar ook stelde of draaide, hij kreeg zijn molen niet stil en door de vrijwing ontstond er genoeg hitte om een brand te laten ontstaan. Eenmaal vat hebbende vormde de grote voorraad hennep een dankbaar voedsel, en binnen de kortste keren stond de hele molen al draaiende in brand. Het riet en de hennep werden met de storm als brandende fakkels naar de huizen in het Zuideinde geworpen. Snel braken ook daar verscheidene branden uit. Binnen de kortste keren is het hele dorp in rep en roer. De brandklok komt maar nauwelijks boven de storm uit en men heeft moeite om zich langs de open stukken te verplaatsen. Snel wordt er organisatie gebracht in de brandblussing, maar de toenmalige brandweer is geen partij voor de felbrandende houten huisjes en pakhuizen met hennep, teer en olie. Nog voordat de eerste ketting van mensen met brandemmers goed en wel operationeel is komen er verschrikte kreten uit de armoedige Klaterbuurt, waar de huisjes ook in brand raakten. Toen leek er wel geen houden aan, en ieder ging zo snel mogelijk naar zijn huis om te trachten te redden wat er te redden was. De bewoners van de minder bedreigde buurten trachtten nog wanhopig de statige kerk en het pas 24 jaar oude stadhuis te behouden, hetgeen met de kerk niet, maar met het stadhuis wél lukte. Even later braken er door het vliegvuur branden uit in het Oosteinde, en daarmee leek het lot van De Rijp bezegeld. Dankzij de harde wind bleef de branduitbreiding beperkt tot alles wat er in het pad van de brandende bossen riet en hennep lag en dwarrelden de fakkels niet opzij af. Zodoende konden de bijna tachtig schepen die in de haven op onverantwoorde wijze dicht opeengepakt lagen behouden blijven, evenals een aantal huizen aan het water.
Op de gloed en de herrie kwamen de bewoners van Graft met de wind in de rug lekker snel te hulp, maar wat er brandde was niet te blussen, en men moest zich beperken tot het redden van de huisraad uit bedreigde percelen.
Binnen luttele uren was De Rijp van een welvarend dorp veranderd in een hellevuur met vluchtende en helpende mensen, die over de erbarmelijke wegen of plotseling barstend drukke wateren op allerlei manier proberen hun familie en goederen of kostbaarheden te redden.
Toen de volgende ochtend aarzelend het daglicht zich vertoonde bood De Rijp een troosteloze aanblik. Vooral het ontbreken van de blikvanger van het dorp, de fraaie kerktoren leek de ontluistering alleen maar groter te maken. Economisch gezien was de brand - mede door het nog niet bestaan van assurantie - een echte ramp en velen hebben er hun rijkdom en toekomst verloren.
Drie jaar later, in 1657, en twintig jaar later, in 1674, deden zich andermaal grote branden in De Rijp voor, waarbij telkens zo'n zeventig huizen verbrandden.
Organisatie en materieel voor de
brandweer.
De Rijpers werden door al die rampen
niet alleen armer, maar vooral ook wijzer. Binnen enkele jaren nadat
de technieken de mogelijkheden daartoe boden hadden de Rijpers een
brandweerorganisatie die velen tot voorbeeld kon dienen.
De modernste brandspuiten en
hulpmiddelen werden aangeschaft, en de organisatie werd ingericht
naar Amsterdams voorbeeld, waar de beroemde gebroeders Jan en
Nicolaas van der Heiden de eerste georganiseerde brandweer sinds
Rome oprichtten en uitrustten. In 1654 (wat een bekend jaar...) was
er een smid in Neurenberg, die de eerste enigszins bruikbare
handbrandspuit maakte. Het apparaat was log en onpraktisch, werd
voortbewogen op een slede en moest worden bediend door 28 man
tegelijk. Het water moest met emmers aangevoerd worden en in de bak
gegooid, waarna het door een vaste straalpijp op de pomp naar boven
gespoten kon worden.
Na de nodige verandering en
verbeteringen kwam de ideale brandspuit pas in 1690 op de markt, en
die werd geproduceerd door Jan van der Heiden te Amsterdam. Tegelijk
met het nieuwe product verscheen het eerste brandweerboek ter
wereld, waarin niet alleen de voordelen van Jan's uitvindingen maar
ook die van zijn reorganisatie van het brandweerwezen werden
aangeprezen.
Het concept, dat in sommige gemeenten
tot ver in de twintigste eeuw dienst deed, bestond uit een
handbrandspuit op wielen, die voorzien was van een windketel, zodat
een constante straal verkregen werd. Het uitgeperste water werd via
een brandslang naar de straalpijp gevoerd, zodat ook binnen in de
huizen geblust kon worden. Aan de waterkant of de put werd dan een
z.g. schraagpomp opgesteld. Daarmee werd het water via een stijve
slang (zuigbuis) opgezogen en kwam en in een linnen zak op bijna
twee meter hoogte. Vervolgens viel het water als uit een watertoren
in de slangen tussen de schraagpomp en de perspomp. Voor dat traject
was geen grote druk maar een constante toevoer nodig. In de perspomp
werd het water onder tamelijk grote druk gebracht, zodat het op
hogere verdiepingen kon komen. Zo'n complete constructie staat thans
nog in de Waag in De Rijp. Later, in de 18de eeuw werden zuig- en
perspomp in één kast verenigd, waarbij de de spuit bij het water
gezet werd en vandaar met kracht de slangen naar de brand vulde.
Het waren dus twee voor die tijd
hypermoderne brandspuiten die de gemeenschap van De Rijp in 1690
aanschafte, en binnen enkele jaren werd ook de organisatie van het
bluswezen voortvarend geregeld. Er werd een taakverdeling gemaakt,
waarbij aan elk der spuiten 48 man werden aangesteld, een vast korps
dus. Onderscheiden werden:
2 brandspuitmeesters,
2 assistent-brandspuitmeesters,
2 hoofden van de zuigers,
2 hoofden van de slang,
2 hoofden van de lantaarns,
7 stoklieden ter beveiliging van de
waterslang,
1 straalpijphouder,
1 lapzakdrager,
mannen aan de pomp en de zuiger voor elk
kwartier,
hoofdlantaarndragers,
lantaarndragers,
1 bijl- en mokerman,
1 hoofd van de zeilen, haken en ladders,
2 kleppers van de klok,
1 hoofd brandpiket en
leden van het brandpiket.
Tijdens de blussing werden de functies
om het kwartier gewisseld. Dat was nodig, omdat het absoluut niet
vol te houden was om langer het zware pompwerk te verrichten. Aan de
perspomp konden maar acht man tegelijk staan, en na een kwartier
gingen ze één van de andere functies vervullen.
Om verwarring te voorkomen werden alle
hoofden en groepen voorzien van lange stokken waarop de functies
vermeld waren.
De brandmeesters hadden - naar
Amsterdams voorbeeld - een grote stok met daarop het gemeentewapen.
Voor het in stand houden van de
organisatie was - eveneens naar Amsterdams model - een systeem van
premies en boeten ingesteld. Wie het eerste water gaf kreeg een
premie, maar wie niet op kwam dagen kreeg een boete. Alle leden van
het korps kregen een penning uitgereikt, die ze bij de brand
inleverden bij de brandmeesters. Aan de hand daarvan kon worden
bepaald wie er al of niet was komen opdagen. Een aantal van die
penningen zijn nog te zien in het Rijper museum.
De spuiten voldeden zó goed dat er in
1720 bij de zonen van Jan van der Heiden nóg eens een spuit met
alles er op en er aan gekocht werd. De drie spuiten van De Rijp
deden dienst tot 1912. Toen was al aardig de klad gekomen in de
discipline en organisatie. Een modernisering en reorganisatie was
dan ook hoognodig.
Andere branden van betekenis.
1572 en 1573
worden gekenmerkt door oorlog en
plunderingen. In met name Noord-Holland vonden regelmatig
confrontaties plaats tussen Spanjaarden en Geuzen, waarbij diverse
steden en dorpen, zoals Naarden, Beverwijk, Westzaan, Broek in
Waterland in brand werden gestoken.
1654
Op 7 januari verbrandde het grootste
gedeelte van De Rijp. Schrale troost is dat in Amsterdam tijdens
dezelfde storm een moutmolen aan het Otterspad in brand raakte en
volledig werd verwoest. Door het vliegvuur werden enkele tuinhuisjes
aan het Visserspad ook aangetast.
1657
Op 1 november verbrandden er 70 á 80
huizen in De Rijp.
1664
Op 27 april werd Jisp getroffen door een
grote brand, waarbij 150 huizen in de as werden gelegd.
1674
Op 25 juli werd De Rijp wederom
getroffen door een grote brand. Daarbij werden 73 huizen verwoest.
1687
Dat het erger kon, werd op 5 mei
bewezen, toen in Durgerdam meer dan 300 huizen verbrandden.
1705
In dat jaar verbrandden er in Graft 43
huizen.
1746
In Westgraftdijk verbrandden op 10 april
zeven huizen, waarbij een man, een vrouw en twee kinderen om het
leven kwamen.
1757
Op 24 januari werd een hennepklopper in
Graft getroffen door de bliksem, en verbrandde totaal.
1758
Op 20 maart verbrandden de Doopsgezinde
kerk en twee huizen in Westgraftdijk.
1766
Op 25 juni werd Lutjebroek getroffen
door een grote brand, die 203 huizen in de as legde.
1786
Op 9 september verbrandde een
boerenplaats tussen Graft en Noorddijn (Noordeinde).
1793
Op 10 april woedde er in Broek op
Langedijk een zware brand, waarbij 35 huizen verwoest werden.
1794
De boerenplaats van Jan Brand in de
Starnmeer werd op 26 augustus getroffen door het onweer en brandde
helemaal uit.
1794
De volgende dag, 27 augustus, verbrandde
een boerenplaats aan de Schermerdijk.
1819
Op 8 juni verbrandde de hennepmolen 'De
Liefde' in De Rijp tijdens een verschrikkelijk onweer.
1882
Tijdens een harde storm op 24 oktober
verbrandde de cementmolen van P. Dil in De Rijp.
De brandweer na 1912.
Tijdens de raadsvergadering van 28
augustus 1912 werd goedkeuring gegeven tot het oprichting van een
vrijwillig brandweerkorps. Tevens werd toestemming gegeven een
tweewielige motorspuit aan te schaffen van het fabrikaat Van der
Ploeg (Apeldoorn) met een capaciteit van 600 liter per minuut. Dat
het apparaat duurzaam was, blijkt wel uit het feit dat het tot 1945
dienst heeft gedaan in De Rijp.
Voor de bediening van dit staaltje van
techniek waren niet langer tientallen mannen nodig, maar een kleine
gemotiveerde ploeg. Een aantal van die gemotiveerde mannen met
bovendien een grote technische interesse richtte daarom een
vrijwillige brandweer op, en stelde zich ter beschikking aan het
gemeentebestuur. De eerste groep bestond uit tien man. Commandant
was K. Humer en als brandweerman fungeerden G. Rot, G. Matser, R.
Humer, A. de Vries, P. Hoek Mz., C. Hoek, C. Siekman, J. Knegt, A.
de Boer en J. Berkhout. De Vrijwillige Brandweer werd geleid door
een Brandraad, bestaande uit het kader van het korps. De inzet was
puur belangeloos en uit interesse, want behalve voor het onderhoud
van de motorspuit en de 'helmen' werd nergens geld voor gevraagd.
Van die helmen moest men zich niet te veel voorstellen. Het waren
eigenlijk leren petten die vooral bescherming boden tegen het water
en tegen vonken. Daarom was er ook een klep aan de achterzijde. Twee
fraaie exemplaren mét emblemen bevinden zich nog in het Rijper
museum.
Het korps functioneerde tot grote
tevredenheid, totdat tijdens de oorlog de inzichten op
brandweergebied veranderden.
Eind 1943 stelde de Rijksinspecteur van
het Brandweerwezen uit Haarlem de burgemeester voor om een nieuwe
aanhangmotorspuit klein vermogen aan te schaffen, en die te plaatsen
in De Rijp. Voor het transport kon dan gezorgd worden door een zware
particuliere auto. De oude motorspuit van De Rijp zou dan in
West-Grafdijk gestationeerd kunnen worden, waarna de handspuiten van
West-Graftdijk naar Oost-Graftdijk konden worden gebracht. De
vrijwillige brandweer in De Rijp was volgens de inspecteur niet goed
geoefend en met een sterkte van slechts 12 man te klein. Verder vond
hij de slangen oud en incompleet, het wekschellensysteem
onbetrouwbaar en de hoofdbedekking van het personeel ('een soort
leren pet') onvoldoende. In Graft trof de inspecteur nog een
aangewezen brandweer aan, en raadde hij de burgemeester aan om een
vrijwillige brandweer van 15 man in West-Graftdijk op te richten, en
de brandweerzorg voor Graft door De Rijp te laten uitvoeren. Dat kon
makkelijk dacht hij, omdat de burgemeester van De Rijp in die tijd
ook burgemeester van Graft was.
In maart 1944 'beval' de
Directeur-Generaal van Politie te Apeldoorn, die ingevolge de
regelgeving van toen verantwoordelijk was voor de Brandweer de
burgemeester van De Rijp een nieuwe motorspuit met slangen aan te
schaffen en het wekschellensysteem te vervangen, zodra de
materialenpositie zulks mogelijk maakt. Verder moest het personeel
uitgebreid worden tot 15 man en dienden zij vergoedingen te
ontvangen.
Kennelijk maakte de burgemeester niet
veel haast, want in juni 1944 werd hij door dezelfde autoriteit
gesommeerd een complete motorspuit te kopen van het model dat door
de Befehlshaber der Ordnungspolizei ter beschikking werd gesteld, en
een zware personenauto te laten ombouwen tot trekker daarvoor.
Verder moest Graft bij het verzorgingsgebied van de brandweer van De
Rijp gevoegd worden en de oude motorspuit van De Rijp in West-
Graftdijk geplaatst worden.
Niet veel later arriveerde inderdaad de
aanhangmotorspuit, van het merk Meyer-Hagen. Omdat er inmiddels
helemaal geen personenauto's meer beschikbaar waren, kwam het nooit
tot de aanschaffing daarvan. De motorspuit voldeed uitstekend.
Binnen een half jaar werd dat ook bemerkt door de Duitse Wehrmacht,
die het apparaat dan ook prompt vorderde, omdat de Duitse steden zó
zwaar gebombardeerd werden, dat al het beschikbare en enigszins
misbare brandweermaterieel daarnaar toe moest worden gebracht. Zo
was men weer terug bij af.
Direct na de bevrijding bood de
districtsinspecteur voor het brandweerwezen De Rijp een motorspuit
aan van het merk Meyer- Hagen, bouwjaar 1944, met een capaciteit van
900 liter per minuut. Het apparaat stond in Alkmaar en was daar niet
meer nodig. Gezien de goede maar korte ervaring met dit type werd
het apparaat meteen aangekocht en in eigen beheer helemaal
gereviseerd en in perfecte staat gebracht.
In januari 1948 volgde het aanbod van
een brandweer- bestelwagen, ingericht als trekker-manschappenwagen.
Dit voertuig was van Engelse makelij en na de bevrijding in grote
aantallen beschikbaar gesteld aan de beroofde brandweerkorpsen in
Nederland. Het aangeboden exemplaar had dienst gedaan bij de
rijksbrandweerschool in Amsterdam, die in 1948 door bezuinigingen
werd opgeheven. De 'bellenwagen' - zo genoemd naar de grote ijzeren
bel die oorspronkelijk voorop het dak stond naar Engels model, was
van het merk Austin K3 en van het bouwjaar 1943.
Om deze toch dure aankoop (Ÿ 2975) te
kunnen bekostigen gingen in het begin van 1948 de gemeenten De Rijp
en Graft een officiële gemeenschappelijke regeling aan, waarbij ze
gezamenlijk de nieuwe motorspuit, trekker en slangen kochten, die
gestationeerd werd in De Rijp. Ook de bestaande (oude) motorspuit
van De Rijp en de beide handspuiten van Graft werden gezamenlijk
eigendom.
De koop van de Austin was niet meteen
een succes. De motor moest eerst nog gereviseerd worden, hetgeen
door het eigen brandweerpersoneel geschiedde. Daarmee kon een
korting van Ÿ 700 bedongen worden. Tevreden constateerde de
districtsinspecteur korte tijd later dat 'met loffelijke inspanning
alle gebreken zijn weggenomen'.
Zo hadden de vroegere tegenstanders - De
Rijp en Graft - gezamenlijk, bijna gebroederlijk, de beschikking
over een brandweereenheid van vroegere tegenstanders: een Duitse
motorspuit achter een Engelse manschappenwagen....
In 1952 bestond de vrijwillige brandweer
van De Rijp 40 jaar. Uiteraard werd dit feest uitbundig gevierd,
maar een bijzonderheid was toch wel dat één der korpsleden, P. Hoek
Mz. op dat moment ook 40 jaar in brandweerdienst was!
Het oorlogmaterieel van de Brandweer
vertoonde na enkele jaren al zodanige slijtages, dat het niet meer
als betrouwbaar kon worden aangemerkt. In 1953 werd dan ook besloten
tot de aankoop van een nieuwe, complete autospuit. Daarvoor moest
eerst de stalling vergroot worden, en in september 1953 werd Ÿ
13.000 uitgetrokken voor de bouw van een nieuwe brandweergarage in
combinatie met een nieuwe bergplaats voor gemeentewerken.
In het begin van 1955 arriveerde dan ook
de fonkelnieuwe hypermoderne autospuit, gebouwd op een Commer
Superpoise T255- chassis door de fa. Boudewijn & Zn. te Geldermalsen
(PA- 90-74). Dat het voertuig duurzaam gebouwd was, blijkt wel uit
het feit dat het nu, 40 jaar later, nog regelmatig te zien is in
optochten en bij evenementen.
De bedoeling was dat de nieuwe
autospuit, die door Graft en De Rijp gezamenlijk was aangekocht weer
in De Rijp kwam, en dat de motorspuit in West-Graftdijk geplaatst
zou worden. De toegenomen mobiliteit van het Rijper korps maakte dat
echter overbodig.
Organisatorisch waren er ook enkele
ontwikkelingen in die jaren. De nieuwe brandweerwet van 1952
verplichtte de gemeenten om voor 1 januari 1956 een
organisatieverordening voor de Brandweer vast te stellen. De Rijp
deed dat op 2 augustus 1955, maar in Graft was men wat aan de trage
kant, in afwachting van de definitieve besluitvorming over de
verdeling van het materieel. Daarom werd de verordening van Graft
vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, die echter
het al bestaande concept van Graft bekrachtigden. Daarin stond o.a.
dat het materieel in Graft bestond uit vier opzetstukken op de
waterleiding in Graft, Noordeinde, West- Graftdijk en
Oost-Graftdijk, en dat de leiding van de brandweer in handen was van
de commandant der brandweer van De Rijp.
In 1970 kwam aan de ingewikkelde
gemeenschappelijke regeling een einde, toen de gemeenten Graft en De
Rijp definitief werden samengevoegd tot de nieuwe gemeente Graft-De
Rijp. Voor de brandweer veranderde er eigenlijk niets. Althans, dat
leek zo. De gemeente groeide en landelijk gezien was de brandweer
volop in beweging. De toenemende gevaren van een moderne
geïndustrialiseerde samenleving maakten bovendien een verdere
professionalisering van de brandweer noodzakelijk. De commandant
liet dan ook in begin 1973 namens de Brandraad aan het College van B
& W weten dat er een aantal verbeteringen nodig waren. Zo moest het
personeel uitgebreid worden van 17 tot 20 man, en moest iedereen
minimaal het rijksdiploma brandwacht 2e klasse hebben, diende de
18-jaar oude brandweerauto vervangen te worden door een moderne
tankautospuit met een poederblusaanhanger met het oog op de
provincialenweg N244 (de poederbulsaanhanger is er overigen nooit
gekomen) en moest er een nieuw alarmeringsysteem komen ter
vervanging van het onbetrouwbare bovengrondse wekkerschellennet.
Verder werd het gebruik dat de brandmelding telefonisch bij het
huisgezin van de commandant geschiedde als te belastend voor de
familie ervaren, en moest het brandweer- alarmnummer verdeeld worden
over 4 telefoons op 4 adressen. Daarnaast bepleitte men aansluiting
bij een regionale brandweer, bij voorkeur in Waterland, waardoor
gebruik kon worden gemaakt van een alarmcentrale en misschien zelfs
wel draadloze alarmontvangers voor de brandweerlieden. Met betere
preventieve voorzieningen door een (inmiddels bij de VNG beschikbaar
gekomen model-)brandbeveiligingsverordening en een
rechtspositieregeling voor het personeel was de verlanglijst
compleet. Na realisering van de verbeteringen konden dan de
hulpgroepen in de andere kernen afgeschaft worden. Omdat deze niet
goed geoefend en opgeleid waren, wilde men hen geen
verantwoordelijkheid voor de brandbestrijding meer geven.
De Brandraad vond gehoor bij het College
en de Raad, en al in het volgende jaar kon de Brandweer een nieuwe
moderne bluseenheid in gebruik nemen: een tankautospuit op Mercedes-
Benz L608D29-chassis met een opbouw van Doeschot te Hyppolitushoef
(MB-83-85). De oude Commer ging in de reserve. In 1975 werd een
nieuwe organisatieverordening voor de gemeente vastgesteld, waarin
bepaald werd dat het personeel tenminste uit
1 commandant,
1 ondercommandant,
2 brandmeesters,
1 onderbrandmeester,
15 manschappen.
zal bestaan en dat er tenminste
twee
mobiele bluseenheden moesten zijn.
Echter, het Provinciaal bestuur van
Noord-Holland is het hier niet mee eens. Op 6 januari schreef
Gedeputeerde Staten van Noord-Holland aan het College van
Burgemeester en Wethouders van Graft-De Rijp.
Hierbij delen wij u mede, dat wij in
onze vergadering van heden hebben besloten het besluit van de raad
uwer gemeente d.d. 18 september 1975 tot het vaststellen van de
"Veroudering betreffende de Organisatie en het Beheer van de
Gemeentelijke Brandweer"goed te keuren.
In verband met de noodzakelijke
materieelsterkte van twee bluseenheden dient het personeel van de
brandweer te bestaan uit:
1 commandant;
1 ondercommandant;
3 (onder)brandmeesters;
24 (hoofd)brandwachten.
Wij geven u in overweging de raad
voor te stellen de tekst van artikel 4 hiermede in overeenstemming
te brengen.
Gedeputeerde Staten van Noord-Holland.
Op 16 augustus 1976 deelde de commandant
van de brandweer aan het College van Burgemeester en Wethouder mee
hieraan te kunnen voldoen door in een tijdsbestek van 4 jaar de
personele sterkte van het korps te laten groeien. Voor de
verbindingen, alarmering en andere brandweertechnische ondersteuning
werd aansluiting gezocht bij de Regionale Brandweer Waterland in
Purmerend. De voertuigen werden uitgerust met mobilofoons en het
personeel kreeg alarmontvangers of 'piepers', die ze overal mee naar
toe genomen konden worden.
Later werd - niet zonder slag of stoot -
de aansluiting opgedrongen bij de Regionale Brandweer
Noord-Kennemerland te Alkmaar.
In 1981 was ook de Commer niet langer te
handhaven als betrouwbare bluseenheid en werd een grote
tankautospuit aangeschaft op DAF FF1600DT360-chassis met een opbouw
van Den Hartog/Bachert (BB-06-KT). Althans dit was de bedoeling.
Echter door een faillissement moet gezocht worden naar een andere
carrosserie bouwer. De firma Kronenburg te Hedel heeft uiteindelijk
de opbouw verzorgd. Mede door deze aankoop, maar ook door
ruimtegebrek voor opleidingen, kleedruimten enz. werd besloten tot
de bouw van een nieuwe brandweerkazerne, die in 1983 aan de
Driemaster geopend werd.
Inmiddels diende de al weer 17 jaar oude
Mercedes te worden vervangen. Hiertoe werd een commissie van
brandweerlieden opgericht die aanbevelingen aan het bestuur zou doen
aangaande vervanging. Op 20 november 1992 was het zover een
tankautospuit op DAF FF45-10CE325-chassis met een opbouw van
Kronenburg te Hedel (VP-39-ZD) reed de garage aan de Driemaster
binnen. Diensttijden als de eerste Van der Ploeg-motorspuit
(1912-1955) blijken ondanks de vooruitgang dus niet meer haalbaar.
De laatste aanwinst van de brandweer
zijn twee voertuigen. Als eerste, de vervanging van de Daf 1600, een
tankautospuit van het merk Dennis, type Rapier (BJ-XV-11). Het
voertuig is gebouwd in Guildford, Engeland door John Dennis Fire. Al
tweede een OvD/Manschappen wagen van het merk Peugeot, type Expert
(25-GP-RD). Het voertuig biedt plaats aan 7 personen. Beide
voertuigen zijn op 23 maart 2001 overgedragen aan de commandant van
de brandweer.
De Brandweer van heden is trouwens in
geen enkel opzicht meer te vergelijken met die van 1912. De
brandweerlieden van nu doen hun taak nog wel vrijwillig, maar
voordat ze zich brandweerman mogen noemen moeten ze wel een aantal
cursussen volgen. Daarnaast wordt er wekelijks geoefend en wordt er
regelmatig aan wedstrijden deelgenomen. Men blust ook allang niet
alleen maar branden. Overstromingen, verkeersongevallen,
stormschade, en noem alle moderne noodgevallen maar op behoren tot
het takgebeid van de brandweer. De brandweer is er steeds om mens en
dier te redden of hulp te verlenen met alle mensen en moderne
gereedschappen die zij 24 uur per dag paraat heeft.
Bronnen:
Brandkroniek 1656-1906, N. van Pommeren,
1907.
Notities aangaande het beste dorp in
Holland, H. Meddens, 1980.
De Rijp: hondenwagens stapvoets!, H.
Meddens, 1972.
Renaissance-raadhuizen boven het IJ, C.
Boschma-Aarnoudse, 1992.
De Amsterdamse Brandweer vroeger en nu,
G.P. Koppers, 1988.
Archieven Nationaal
Brandweer-documentatiecentrum te Amsterdam.
Materieelbestand Brandweer A.P. van
Eijsden te Rotterdam.
Aantekeningen brandweer Graft-De Rijp
van J. Klukhuhn 2001.