De brandweer van mijn vader.

 

In 1991 schreef Maarten het Hart een boekje over de vrijwillige brandweer. Dit deed hij ter gelegenheid van het 75 jarig bestaan van de Koninklijke Nederlandse Brandweer Vereniging.

Hij deed dit ook om een hommage te maken aan zijn vader, die jarenlang lid van de vrijwillige brandweer van Maassluis was.

 

Het boekje van “het Hart’ schetst een beeld van de brandweer zoals velen dat kennen en analyseert hij wat de motor is waarop de vrijwillige brandweer draait.

 

Ik wil een paar passages uit het boekje even onder de aandacht brengen:

 

Voor ons was het een raadsel dat mijn vader zo graag tot het korps wilde toetreden. Was het dan zo’n pleziertje om in het holst van de nacht je bed uit te moeten om een brandje te blussen?

Spoedig bleek dat het mijn vader niet zozeer ging om die branden zelf, als wel om de nevenactiviteiten……

 

Hij kreeg om te beginnen een uitgaansuniform. Hij was er apetrots op.

 

Behalve dat uniform was er nog een reden:

De brandweeravond.

Wie denkt dat er dan geducht geoefend werd komt bedrogen uit.

Nee, brandweeravond was een gezellige avond, waarbij in de kantine werd gekaart, werd gedominood, werd gedronken en er werd, daar ging het mijn vader om, gebiljart!

Ik ben er zeker van dat mijn vader in de eerste plaats lid van de brandweer werd vanwege het biljart.

 

Een andere reden was de jaarlijkse uitgaansdag!

Op een van die uitgaansdagen ging mijn vader, in uniform, de grens over. Nog nooit was iemand uit onze familie de grens over geweest. En nu kon en mocht, dankzij de vrijwillige brandweer, mijn vader een dag naar Antwerpen!

Ik geloof dat aldaar het brandweerwezen werd bestudeerd.

 

Het eigenaardige is dat ik mij van al die jaren maar heel weinig echte branden kan herinneren. Bij het korps werd dat ook betreurd. Daarom werd er op nieuwjaarsdag altijd de z.g. aansteekploeg aangewezen. Dat was een ploeg, bestaande uit drie mannen, die het komende jaar voor branden moesten zorgen.

Zo ook werd een keer Piet Hoek van de speelgoedwinkel aangewezen tot die ploeg. In dat jaar van zijn verkiezing ging zijn speelgoedwinkel in vlammen op. Achteraf zeiden ze tegen Hoek dat het heel nobel was dat hij zijn taak zo serieus nam.

 

Het zou mij niet verbazen - sterker ik denk dat het altijd zo is – als degenen die lid zijn van de vrijwillige brandweer dat niet zijn uit idealistische overwegingen, maar omwille van al datgene wat het lidmaatschap, naast de branden die bij nacht en ontij geblust moeten worden, met zich meebrengt.

Je kunt van mensen niet verlangen dat ze er plezier in hebben om ‘s nachts uit bed gehaald te worden om een gevaarlijke klus te klaren.

Ik pleit voor biljarttafels in de kazernes. Het is in ons aller belang dat er een  brandweer is. Zorg er dus voor dat het aantrekkelijk blijft om brandweerman te zijn of te worden. Of zou vandaag de dag de vrijwillige brandweerman al zijn uitgestorven? Dat zou ik jammer vinden; weinig dingen zijn leuker dan een vader die bij de vrijwillige brandweer is, een vader die na brandweeravonden en uitgaansdagen altijd met leuke verhalen thuiskomt.

En dan al die helaas zo schaarse echte branden. Als ik mijn vader met een helm op zag zwoegen met een verdeelstuk, was ik apetrots. Mijn vader was bij de brandweer!

 

Ik denk dat verhaal van Maarten van ’t Hart, herkenbaar is voor veel brandweervrijwilligers.

Van velen van ons zaten de vaders ook al bij de brandweer. Ik denk dat jullie daar ook trots op waren.

 

Ik hoop voor alle brandweervrijwilligers, dat hun kinderen ooit ook apetrots zullen zeggen :

“Mijn vader of moeder was bij de brandweer!”